Tijd, eeuwigheid en andere contrasten

Pieter Wispelwey Olivier Messiaen schreef Quatuor pour la fin du temps in 1941 in de barre omstandigheden van het concentratiekamp Stalag VIII. Het werk is aangrijpend en muzikaal heel verscheiden door de voortdurende afwisseling tussen solo-instrumenten, duo’s en het voltallige kwartet. Verder staat de fijnzinnige Sonate voor viool en cello van Maurice Ravel (zelden live te horen!) op het programma naast Contrasten, een trio voor viool, klarinet en piano dat Béla Bartók com-poneerde voor de Amerikaanse jazz-klarinettist Benny Goodman.
Pieter Wispelwey, wereldvermaard cellovirtuoos, verzamelt op onze vraag gelijkgestemde musici uit Europa rond zich: zijn vaste recitalpartner Dejan Lazic, Gordon Nikolic die concertmeester is bij het London Symphony Orchestra en de zeer gedreven Belgische klarinettist Ronald Van Spaendonck.

Olivier Messiaens schreef zijn ‘Quatuor pour la fin du temps’ in 1941 in een Silezisch krijgsgevangenkamp. De situatie was er – in vergelijking met andere concentratiekampen – misschien niet zo totaal uitzichtloos, maar de sfeer van dreiging en verderf was toch allesoverheersend, en in die beklemmende geestelijke leegte ging Messiaen op zoek naar een muziek die de ketens van de tijd zou kunnen breken. Onder het motto van de aartsengel uit de Apocalyps – ‘il n’y aura plus de temps’ – schreef hij een werk dat de telbare tijd moest transcenderen, en dat minstens een suggestie van eeuwigheid moest opwekken.

Messiaen streefde daarbij naar de creatie van een soort immateriële muziek. Hij ontwierp specifieke toonverzamelingen die harmonisch en melodisch een soort van alomvattendheid genereren; hij ontwikkelde bijzondere ritmische structuren die indruisen tegen elke telbare tijdsbeleving. Vaak gaat het daarbij om technieken die gesofisticeerd en complex zijn, maar wel een klankbeeld genereren dat verbaast door zijn transparantie en zijn atmosferische fijnheid. Soms zweemt Messiaens muziek daarbij zelfs naar een zoetheid die balanceert tussen heiligheid en slechte smaak, tussen kitsch en extase. Als weinig andere 20ste-eeuwse componisten durft Messiaen het immers aan om te componeren vanuit een radicale naïviteit, waarvan vanzelfsprekend niet de naïviteit maar wel de radicaliteit de kracht uitmaakt.

Het werk in zijn geheel en alle acht delen afzonderlijk worden door Messiaen inhoudelijk geduid, waarbij hij bijna telkens verwijst naar natuurbeelden en religieuze symbolen of begrippen. De aanwijzingen zijn erg direct en worden expliciet in het voorwoord tot de partituur weergegeven. Dat is vooral merkwaardig omdat een dergelijke programmatische duiding eerder karakteristiek is voor romantische symfonische muziek dan voor 20ste-eeuwse, in menig opzicht modernistische kamermuziek. Precies deze veronachtzaming van genre-esthetische tradities maakt deel uit van Messiaens merkwaardige eigenzinnigheid. Messiaens esthetiek en techniek putten hun kracht namelijk niet uit muziekhistorische conventies, maar uit de onverbiddelijkheid van het geloof. Vanuit die optiek bevrijdt Messiaen niet alleen zijn muziek, maar ook zichzelf uit ‘de Tijd’.

Van een programmatische component is in de andere twee composities nauwelijks of geen sprake. Ravels werk heet gewoon ‘Sonate‘ en de titel van Bartóks compositie – ‘Contrasten‘ – verwijst eerder naar tegenstellingen op het vlak van sonoriteit en compositietechniek dan naar ‘buitenmuzikale’ confrontaties. Dat neemt natuurlijk niet weg dat beide composities wel degelijk vanuit een heel specifiek esthetisch en muzikaal perspectief geschreven zijn. Ravels Sonate (1920–22) is één van de schitterendste resultaten van zijn verzuchting om een muziek te componeren waarin een glashelder lijnenspel ingaat tegen elke vorm van (Duits-romantische) verdoezeling. Met zijn drang naar transparantie en muzikale naaktheid treedt Ravel in de voetsporen van Debussy, aan wie de Sonate ook opgedragen is. Daarnaast is er ook de link met de Hongaarse muziek. Naast de titel – de oorspronkelijke titel ‘Duo voor viool en cello’ is een rechtstreekse verwijzing naar naar het gelijknamige werk van Zoltan Kodály uit 1914 – komen er in Ravels Sonate verschillende passages voor die gebruik maken van Hongaarse melodische en ritmische structuren en integreert Ravel nog vaker dan anders harde dissonante slagakkoorden die de melodische lijnen doorkruisen of kortwieken; een werkwijze typisch voor Kodály, en nog meer voor Béla Bartók.

In Bartóks Contrasten (1938) speelt de idee van tegenstellingen een cruciale rol. ‘Contrast’ betekent niet uitsluitend de tegenstelling tussen melodische lijnen en slagstoten, maar vooral ook de intrinsieke ‘sonore’ tegenstellingen tussen de verschillende instrumenten. Bartók, die nooit eerder een kamermuziekwerk met een blaasinstrument geschreven had – en die het in 1938 ook maar deed omdat het hem gevraagd werd door de vermaarde klarinettist Benny Goodman – ging uit van natuurlijke klankverschillen, die hij zelf aanscherpte. De piano blijft daarbij eerder op de achtergrond, maar de viool en de klarinet trekken alle speelregisters open. De viool wordt ook ‘anders’ gestemd, precies om heel ongewone klankeffecten te kunnen opwekken. Het gebruik van de klarinet is eveneens rijk geschakeerd: vooral de bijzondere eigenschap van het instrument om op zichzelf reeds grote contrasten te generen binnen een miniem tijdsbestek wordt sterk benut. Toch zijn al deze contrasten meer dan een doel op zich: Bartók heeft immers een compositie uitgebouwd die doorheen de contrasten een grote coherentie genereert, waarin trouwens ook speel- en luistervreugde worden verenigd.

Programma :
  • Béla Bartók: Contrasten
  • Maurice Ravel: Sonate voor viool en cello
  • Olivier Messiaen: Quatuor pour la fin du temps
Tijd en plaats van het gebeuren :

Pieter Wispelwey & Friends
Dindsdag 10 oktober 2006 om 20.30 u

(inleiding door Pieter Bergé om 19.30 u in de Kleine Aula)
Grote Aula Maria Theresia (College)
Sint-Michielsstraat 2
3000 Leuven

Meer info : www.festivalvanvlaanderen.be en www.pieterwispelwey.com

Componistenprofielen (met audio) op www.bbc.co.uk: Béla Bartók, Olivier Messiaen, Maurice Ravel

Dit concert wordt uitgezonden door Klara op donderdag 26 oktober om 20.00u.

Bron : Festival van Vlaanderen, Pieter Bergé