Tan Dun maakt instrumenten van water en papier : Jonas De Roover in gesprek met Gert François

Tan Dun Gert François is percussionist bij het Vlaams Radio Orkest. Als solist in het Water Concerto speelt hij een cruciale rol in het concert op 1 juni in het Concertgebouw in Brugge. Het zal niet de eerste keer zijn dat hij de ietwat vreemde instrumenten van water en papier zal bespelen. Als ervaringsdeskundige zal hij de kinderen die deelnemen aan Vel tegen Vel laten kennismaken met de wondere klankenwereld van Tan Duns muziek.

Hoe ga je als uitvoerder, als percussionist, om met de partituur van het Water Concerto? Bij ‘klassieke’ percussieinstrumenten heb je de gekende technieken, maar hoe zit dat met het instrument ‘water’?

Je moet in eerste instantie vertrouwd raken met de handtechnieken – de speeltechnieken die op de partituur staan. Je moet bijvoorbeeld leren omgaan met hoe je water precies manipuleert, zowel met je handpalmen als met je vingers. Je moet de druppels bij wijze van spreken helemaal leren controleren vanaf de kom tot in je hand. In het begin is dat de moeilijkste opdracht, want met de indicaties in de partituur heb je te weinig informatie. Om goed te begrijpen wat hij met bepaalde aanduidingen bedoelt, is het absoluut noodzakelijk de componist te contacteren. Zo staat er in de partituur bijvoorbeeld een techniek ‘water bottle sound’, met erbij vermeld ‘use a bottle’, maar dan is natuurlijk de vraag hoe je die fles dan precies moet gebruiken.
Door de subtiele klankverschuivingen in het werk is een goede versterking ook erg belangrijk, want anders gaan al die details verloren. We soundchecken dan ook uitgebreid, om te zorgen dat de waterdruppels als waterdruppels klinken en niet als kanonkogels.

Dat brengt ons meteen bij de tweede vraag: wat is precies de relatie tussen de componist-dirigent Tan Dun en de uitvoerende muzikant – u dus? Voert u de muziek precies uit zoals hij het wil of staat hij ook open voor uw ideeën, uw interpretaties van de muziek, met andere woorden, is er ruimte voor wisselwerking?

Wel, laten we zeggen dat hij als inspirator werkt. Hij heeft natuurlijk zijn imaginaire wereld gecreëerd waarin hij die partituur wil zien gedijen en uitgevoerd wil zien worden. Wat heel snel duidelijk is uit zijn reacties, is wanneer je ‘erop’ zit of wanneer je ‘ernaast’ zit. Hij laat dat op typische Chinese wijze blijken: met heel erg weinig woorden, maar zijn gelaatsuitdrukkingen spreken boekdelen. Je mag je er in het begin niet door laten afleiden of ontmoedigen, want de partituur is – zoals álle partituren trouwens – altijd voor interpretatie vatbaar.
Zo komt er in het Water Concerto een passage voor met ‘water bobbing’, waarbij je met de palm van je hand het wateroppervlak manipuleert. Dat kan je heel hoog maar ook heel diep laten klinken, hoe ga je daar dan mee om? Het is natuurlijk net door die indicaties in de partituur dat een hele klankenwereld opengaat. Van zodra je aan de partituur begint te boetseren en te studeren, wordt je ontegensprekelijk geconfronteerd met opties en je weet niet automatisch welke keuze de juiste is en in zijn visie past. Dat maakt het best spannend.

Een belangrijk aspect van de concerten van Tan Dun is dat het totaalspektakels zijn waarbij de visuele performance een grote rol speelt. Hoe heb je daar je schroom in overwonnen, want als klassiek muzikant kom je dat waarschijnlijk niet zo heel erg vaak tegen?

Ik was hier voordien al bewust mee bezig. Mijn zus is in de balletwereld grootgebracht en ik ben er heel vaak naar gaan kijken. Daardoor besefte ik dat als je met het publiek wil communiceren, je ook moet uitstralen wat je muzikaal aan het doen bent. Door het spelen van composities van Vinko Globokar en van etnische muziek, waarbij het fysieke aspect van de percussie van groot belang is, groeide ik hier verder in.
Tan Dun wil per se dat je méér communiceert dan wat in de partituur staat. Ik mag natuurlijk niet alles verklappen, maar bij de intro van het Water Concerto kom ik vanuit de zaal op en loop ik door het publiek met een heel speciaal instrument. Tan gaf me in het begin duidelijk de opdracht om daar niet ‘te klassiek’ mee om te gaan, maar eigenlijk als een soort sjamaan te werk te gaan. Dat hij je voortdurend uitdagingen aanreikt, maakt Tan Duns muziek zo fantastisch. Je kan je niet in je klassieke spel terugtrekken, gewoon even de muziek spelen en op je lauweren rusten. Telkens als je zijn composities speelt, moet je jezelf voor tweehonderd procent geven en mag je nooit de dramatiek of de spontaniteit van de muziek vergeten.

Jonas De Roover
Concertgebouw Magazine
Jaargang 6, nummer 2, april / mei / juni 2008