Een gesprek met Dick van der Harst over oud en nieuw, over Gent en Indonesië

Dick van der Harst & Jacob Obrecht Stadscomponist Dick van der Harst creëerde een swingende mis gebaseerd op muziek van de Gentse polyfonist Jacob Obrecht. Jacob Obrecht was vooral als zangmeester actief in steden als Brugge, Bergen op Zoom, Antwerpen en Ferrara. Als componist van polyfone laat-middeleeuwse/ vroege-renaissancemuziek genoot hij Europese faam.

Johan Van Acker van Muziekcentrum De Bijloke sprak met Dick van der Harst over oud en nieuw, over Gent en Indonesië

Waarom Jacob Obrecht ?
“De suggestie kwam van Muziekcentrum De Bijloke. Terecht, want Obrecht (Gent, 1457/1458 – Ferrara, 1505) was een interessante figuur. Zijn werk is niet alleen mooi maar dikwijls ook heel onstijlvol . Soms greep hij terug naar middeleeuwse voorbeelden in tegenstelling tot het oeuvre van zijn collega’s dat al helemaal in een vroegrenaissancistische stijl baadde. Wat ik precies zal kiezen ? Wel, Obrecht heeft o.a. een requiem geschreven (het motet Mille quingentis) voor zijn vader; zowel de tekst als de compactheid maken het voor mij interessant. En dan is er natuurlijk de Missa Scaramella, gebaseerd op een Italiaans volksliedje; daar zal ik ook wel op inspelen. Bovendien ontbreken hier twee van de vier stemmen en dát nodigt natuurlijk uit tot invullen. Ik ga zeker proberen een paar minuten te doen alsof we ergens in een kerk de ontbrekende stemmen hebben gevonden. Authentiek nieuw materiaal terwijl het niet zo is, hè. Net zoals die Engelse musicoloog-professor die de 10de van Beethoven heeft gereconstrueerd; op het einde van de cd geeft hij nog een speech waarin hij besluit ik heb mijn best gedaan, het komt denk ik wel in de buurt. En dan zegt hij But of course, Beethoven would have done better.
De idee om de link te leggen met de Gamelantraditie is pas later gekomen. Net als in de polyfone muziek tref je ook daar meerstemmigheid aan, al is dat niet zo letterlijk als in de polyfone muziek. Toch zit er duidelijk een middenstem, een variatie én een trage lage stem in. Intuïtief dacht ik dat dat iets was om Obrecht meer naar mij toe te trekken: fragmenten uit zijn oeuvre die verdwijnen in mijn muziek of die zich vermengen met flarden Gamelan .”

Hoe ga je om met die polyfone schrijfwijze van Jacob Obrecht ? Deconstrueer je die, en komen daar andere fragmenten doorheen gefietst ?
“Hoe ik dat precies ga doen, weet ik nog niet. Ik bekijk nog of ik probeer in de stijl van Obrecht te schrijven of net niet. Ik heb in elk geval heel veel materiaal, met erg mooie (meestal Latijnse) teksten. Ik denk er dan ook aan eerst een structuur te maken met de mooiste tekstfragmenten, zodat die tekstuele opbouw klopt. Dat betekent niet dat je alle woorden moet verstaan om te begrijpen waar het om draait. Zelfs integendeel het is een muzikaal geheel waarin gezongen wordt. Het zal vrij snel duidelijk zijn dat er wel ergens een religieuze of meditatieve inslag is. Vroeger verstonden de mensen de Latijnse misteksten ook niet. Volgens sommigen was een mis daarom vroeger leuker, want je kon abstracter wegdromen; daarna volgde de preek in het Vlaams, of veel vroeger nog in het Latijn. De muziek van Obrecht zal ik nu eens behouden, dan weer bewerken of nieuw componeren. In elk geval zullen fragmenten pure Obrecht evolueren naar bewerkingen of andersom, afgewisseld met Gamelanfragmenten. De schalmeien en de klarinetten de harde kant van het ensemble zullen voor de nodige interventies zorgen. De vader van Obrecht was niet voor niets stadtrompetter in Gent, dus dat past allemaal mooi. “

Ben je van plan binnen de misstructuren te blijven die Obrecht hanteerde ?
“Die misstructuur is door de jaren heen een heel beproefde vorm gebleken, een retorisch kader van hoe je iets opbouwt, een gemeenschappelijkheid in een stad waar je samenkomt. Het is zoals ze in de jazz zeggen een supersetlijst , je kan dat niet zomaar veranderen. Het Kyrië zal ik dus niet op het einde zetten, dat werkt niet, want de dramaturgie moet behouden blijven.”

De Gamelantraditie ligt je duidelijk nauw aan het hart. Vanwaar die fascinatie ?
” Natuurlijk is het in eerste instantie de muziek die mij aanspreekt. De traditie zelf heb ik leren kennen via mijn vader die in 1927 vlakbij Bandung (Indonesië) geboren is. Hij heeft daar in een Japans interneringskamp gezeten (nvdr. Japan bezette vrijwel geheel Nederlands Oost-Indië in maart 1942) en is na zijn vrijlating naar Nederland gekomen. In die tijd had je in Amsterdam het Tropenmuseum officieel het Instituut van de Tropen opgetrokken uit duurzame materialen uit het Oosten zoals jatti-hout. In dat instituut bevond zich een Gamelanorkest waar ik wel eens ging luisteren. Ik heb thuis nog altijd een LP met hofmuziek uit Djakarta: heel traag, instrumentaal, hindoeïstisch religieus. Het is één van de weinige zaken die ik opzet als ik heel moe ben; ik leg me dan op de bank en het werkt nog altijd om tot rust te komen. Het is erg minimalistische muziek, één en al herhaling de hele tijd door met nu en dan een akkoordje. Daarna gaat het orkest weer door en door. Dat alles zal deel uitmaken van Assim.”

Het publiek kan ook nog geleidelijk binnensijpelen terwijl jullie al spelen ?
“Ik wil dat Assim kabbelend begint, zoals in de Griekse missen waar iedereen nog binnen kan lopen terwijl het half begonnen is. Het is de bedoeling dat het publiek in het Kraakhuis in een u-vorm zit. Je komt binnen, er is al iets kabbelend aan de gang en dan voelt iedereen vanzelf wel wanneer het tijd is om te gaan zitten. De klanksfeer zal daarbij erg belangrijk zijn: de snaarinstrumenten (luit, boezoeki, vedel), de blazers (klarinet, tible, tenora, sax) met hun harde orakelachtige klank, het cimbalom, de percussie en last but not least, de zang. De zangers zullen waarschijnlijk deels zittend en deels rondlopend hun liederen uitvoeren .”

Johan Van Acker, Muziekcentrum De Bijloke, Gent